Verslag: 12 mei 2016 - Thema-avond: omvorming van een Engels raaigras productiegrasland naar een bloemrijk grasland

2016 05 12 graslanden 01Een waar kleurenpallet van bloemen!Wij werden op donderdagavond 12 mei 2016 rondgeleid onder deskundige begeleiding van Gijs Clements en Erwin de Hoop van Natuurmonumenten door de graslanden van Natuurmonumenten in omgeving De Logt te Oisterwijk. Wij bezochten twee grasvelden die oorspronkelijk productiegrasland  waren van Engels raaigras en nu door Natuurmonumenten in fasen omgevormd worden  naar bloemrijk grasland. Op zeer boeiende wijze vertelden beide heren ons aan de hand van enkele plaatjes en schema's hoe een en ander in zijn werk gaat. Naderhand bezochten wij twee van die door N.M. aangekochte voormalig Engels Raaigras weiden (of mogelijk akkers) die dankzij een bepaald beheer, zoals hieronder door Gijs beschreven, al in verschillende fasen op weg naar de eindfase 4: bloemrijk grasland.

Wij werden tijdens het bezoek, gedurende korte tijden (±1/2 uur) in groepjes aan het 2016 05 12 graslanden 02Gijs vertelt hieronder over de beheersmaatregelen van omvorming en instandhoudinginventariseren gezet. Aan de hand van de resultanten vertelde Gijs ons ik welke fasen de omvorming al op weg was. De omvorming is een kwestie van jaren. Hiervoor zijn noodzakelijk diverse beheersmaatregelen als maaien en afvoer van gras en begrazen en uiteindelijk ook eventueel voorzichtig en doelgericht bemesten. Lees verder de beheersmaatregelen.

Maar eerst wat is een bloemrijk grasland en hoe wordt het beheerd?
Een bloemrijk grasland is een fijne homogene verdeling van een ± 40 tal verschillende grassen, schijngrassen en kruiden over de gehele oppervlakte van het perceel.

In de bezochte graslanden wordt de omvorming en instandhouding uitgevoerd door:

a. Te maaien en het maaisel af te voeren. Het tijdstip is hiervoor erg belangrijk. Zeer vroeg in het jaar zijn het vooral de hoogproductieve grassen die snel groeien. Wanneer deze consequent voor de bloei worden afgemaaid zullen deze minder algemeen worden en is er meer ruimte voor grassen en kruiden die later in het seizoen bloeien en bij het vroege maaien niet worden afgemaaid. Wanneer de opbrengst laag wordt en de bodem al redelijk voedselarm is kan het tijdstip van maaien langzaam opgeschoven worden naar laat in het seizoen, nadat alle zomerbloeiers zaad hebben gezet. Bij het maaien wordt rekening gehouden met de eventuele aanwezige weidevogels en reewild.

b. Begrazen. Ook bij begrazing is het moment in het jaar en de diersoort bepalend. Elke diersoort heeft zijn voorkeur voor bepaalde grassen of planten en deze zullen doordat ze als eerste worden opgegeten verdwijnen of wanneer ze niet door dieren worden gegeten juist de kans krijgen om uit te breiden (brandnetel, distels, jakobskruiskruid). Begrazing wordt vaak later in het jaar ingezet om de graslanden kort de winter in te laten gaan. De kleine open plekjes die hierbij aanwezig zijn bieden dan in het voorjaar goede gelegenheid voor planten om te kiemen. Dit is er belangrijk want de meeste planten blijven niet altijd op de zelfde plaats staan. Na een tijdje wordt de bodem rondom een plant minder geschikt voor deze soort specifieke nutriënten worden schaarser en nematoden en ander bodemleven die specifiek zijn voor deze soort worden rondom de wortels algemener waardoor het voor een plant beter is om zaad te zetten en een eindje verderop te gaan staan. Planten ‘wandelen’ als het ware door het veld heen. Hiervoor is het belangrijk dat er altijd voldoende mogelijkheden zijn voor zaden om te kiemen.

c. Delen laten staan. Bij het echte omvormen wordt dit achterwege gelaten, maar bij de velden waar meer instandhoudingsbeheer wordt toegepast blijven bij het maaien stroken staan. Dit biedt een schuilplaats voor veel fauna. Daarnaast krijgen dieren die eitjes hebben afgezet zoals vlinders en sprinkhanen in deze stroken de kans om hun cyclus te voltooien en van hieruit het grasland weer te koloniseren.

d. Bemesten. Dit wordt hier nog niet gedaan en gaat enkel gebeuren wanneer er duidelijke tekorten in de bodem op gaan treden. Dit gaat vaak gepaard met verzuring. In dat geval kunnen we overwegen om licht te bemesten met strorijke stalmest of goede compost. Het omzetten hiervan levert enige buffering aan de bodem (wat de verzuring weer tegen gaat). Een andere optie is bekalken.

Vanzelfsprekend zullen bepaalde kruiden, in percentages gezien, meer of minder aanwezig zijn. Afhankelijk van het beheer,  de  bodemstructuur, zuurgraad  de waterstand enz. zal er in de laatste fase een bepaalde plantenassociatie tot stand komen  bijv. de glanshaverassociatie  of de kamgrassociatie enz. Gijs: Hierbij is een constant beheer wel noodzakelijk. Door bijvoorbeeld jarenlang op het zelfde tijdstip te maaien zullen zich enkele planten vestigen die goed tegen maaien kunnen, voor het maaien al zaad gezet hebben of pas na het maaien gaan groeien. Ook bij begrazing is het moment is het jaar en de diersoort bepalend. Elke diersoort heeft zijn voorkeur voor bepaalde grassen of planten en deze zullen doordat ze als eerste worden opgegeten verdwijnen of wanneer ze niet door dieren worden gegeten juist de kans krijgen om uit te breiden (brandnetel, distels, jakobskruiskruid). Even terzijde  In het Vlijmen 's V en is Fons Mandigers van Natuurmonumenten bezig met het creëren van een dotterbloemgrasland . Het is hier een zandige, leemhoudende  en zeer natte bodemsituatie met veel kwel. Het oorspronkelijk productiegrasland wordt hier nu met 40 cm. afgegraven, zodat het oorspronkelijke maaiveld weer dagzoomt. De afgegraven grond zit vol met meststoffen maar vooral fosfaten die bijna niet afbreekbaar zijn -

Maar in ons geval hier in De Logt te Oisterwijk betreft het zandige, leemhoudende, matig vochtige tot droge en relatief hoog gelegen gronden.
De omvorming van een raaigrasland naar een bloemrijk grasland kan in een vijftal fases worden onderscheiden:
Fase 0) Engels raaigras situatie
Fase 1) Grassen-Mix situatie
Fase 2) Witbol-stadium
Fase 3) Gras-kruidenmix
Fase 4) Bloemrijk grasland.

Geïnstrueerd door Gijs konden wij vaststellen aan de hand van onze vluchtige inventarisaties dat het ene perceel net in fase 3 was. Dit werd tot voor kort door een paar begraasd en duidelijk waren stukken voedselrijkere en soortenarmere stukken te zien (deze stukken zaten nog in fase 1 a 2). Op het andere perceel werd een maaibeheer toegepast en dit zal al in zijn geheel in fase 3. Hier was duidelijk een scheiding tussen natte en droge delen te zien, waar de natte delen al richting fase 4 gingen. Op het laatste perceel had zich een wulp genesteld. We hebben hem horen jodelen! Beschrijving  van de verschillende fasen.

Fase 0  Overwegend >50%, Engels raaigras en op schaarse plekken 2016 05 12 graslanden 03ruw beemdgras, paardenbloem en vogelmuur.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Fase 1 Grassen-mix  2016 05 12 graslanden 04
Eén grof mozaïek van grassen met een hoge opbrengst als ruwbeemdgras en fioringras. Haarden van kruiden als kruipende boterbloem en witte klaver.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Fase 2 Witbol-stadium Dominantie van bepaalde grassoorten ( o.a. gestreepte witbol)  2016 05 12 graslanden 05
Roze bloempluimen in mei voeren de boventoon  Dominantie (> 50%) van Gestreepte witbol, Glanshaver en/of Grote vossenstaart. Deze soorten kunnen ook samen voorkomen, maar vaak is één van de 3 soorten dominant. De kleur en structuur van het grasland is homogeen en wordt bepaald door het dominante gras. Gestreepte witbol geeft een stroroze kleur vanaf half-mei. Na de bloei wordt het strokleurig. Soorten komen voor in haarden, kruiden veldzuring en scherpe boterbloem.

 

 

 

 

 

 

Fase 3 Gras-kruidenmix2016 05 12 graslanden 06
Een fijn mozaïek van grassen en kruiden over heel het perceel. De meeste soorten komen niet meer voor in haarden maar zijn homogeen over het perceel verdeeld. De forse grassoorten van fase 2,1 en 0 kunnen hier en daar nog aanwezig zijn, maar zijn niet meer dominant. Er komen nu grassen in die minder fors zijn zoals reukgras, roodzwenkgras en gewoon struisgras. Naast de algemene kruiden van vorige fases (scherpe boterbloem, veldzuring, gewone hoornbloem) komen er nu ook kruiden voor die typisch zijn voor de vochttoestand. Maar niet meer in haarden
Ook Sint-Janskruid, Schapenzuring, Gewone veldbies, Biggenkruid Duizendblad kleine klaver en smalle weegbree.

 

 



Fase 4 Bloemrijk grasland  2016 05 12 graslanden 07
Een fijne matrix van grassen en schijngrassen (russen, zeggen en biezenknoppen)  en groot aantal kruiden, zoals al gezegd ± 40 stuks die karakteristiek zijn voor het beheer, de samenstelling van de bodem (structuur, PH  en vochttoestand)

 

 

 

 

HET GRASLAND GEEFT EEN KLEURIGE INDRUK!

 

 

 

 

 

 

Onderstaand de antwoorden van Gijs op enkel e schriftelijke vragen die ik hem gesteld heb:  

Vraag 1: Gaat het niet wat sneller als je het hele perceel omploegt en met een met een graskruidenmengsel inzaait?
Antwoord vraag 1: Dit is een goede vraag. In het kort is het antwoord meestal nee. Wanneer je een graskruidenmengel inzaait in een voedselrijke bodem zullen veel zaden van soorten van schrale bodems al niet kiemen. Alles wat wel kiemt, heeft een overvloed aan voedingsstoffen. Hierdoor zal zullen planten die snel groeien de concurrentie om licht e n ruimte meteen winnen en de planten die deze concurrentiestrijd niet aan kunnen zullen gelijk weer verdwijnen. De planten die overblijven zijn vaak dezelfde als die er toch al stonden (en dan hebben we het nog niet over de verstoring van de bodem en bodemleven door het ploegen dit kans soms goed zijn, maar vaak ook niet. We moeten meer vanuit de bodem gaan denken, maar dit is erg lastig omdat we veel processen nog niet begrijpen).
Een tweede probleem is het zaad. Goede inheemse zaadmengsels zijn erg kostbaar ( tussen de 50cent en 1 euro per gram en de aanbevolen zaaidichtheid is 1 gram per vierkante meter 1 hectare is 10000 vierkante meter.) B ij goedkopere gasmengsels komt het zaad vaak uit het buitenland. Idealiter wil je inheems (Nederlands) maar het liefst lokaal zaad gebruiken. In theorie kan de bloemschacht van een Spaanse smeerwortel 1 millimeter langer zijn dan de Nederlandse, waardoor de Nederlandse aardhommel met zijn tong net niet bij de nectar kan. Zo ka n het zijn dat we wel de kruiden hebben, maar dat de bijbehorende insecten toch verdwijnen. Dit is maar een theoretisch voorbeeld maar vergelijkbare problemen zijn wel aangetoond, denk maar aan alle niet Nederlandse dubbele korenbloemen die in de akkerrand en worden gezaaid.

Aan de andere kant kan het heel positief uitpakken. De afgelopen jaren worden er best mooie resultaten geboekt door graslanden die niet meer zo voedselrijk zijn, maar door verschillende redenen vast zitten in hun ontwikkeling om te werken en een paar jaar braak te laten liggen. Hierbij moet het dan een ( paar ) keer per jaar omgewerkt worden. Hierdoor wordt de bodem ‘gereset’ en krijgen nieuwe soorten de kans om zich te vestigen.
Wat in plaats van inzaaien wel vaak wordt gedaan is het uitstrooien van maaisel (hooi) van graslanden met mooie soorten over de om te vormen graslanden. Hierdoor wordt zaad aangevoerd maar het heeft meer voordelen. Op afgegraven graslanden zoals bij het Vlijmens ven zorgt dit laagje gras voor een microklimaat. H et houdt langer vocht vast en wordt in de volle zon niet zo snel warm als kale bodem, hierdoor kunnen weer andere planten kiemen. Ook levert de afbraak van het hooi vaak weer een lichte buffering van de bodem op.

Verder blijkt de laatste jaren steeds meer dat planten hun ‘eigen’ bacteriën, schimmels en ander bodemleven nodig hebben. Met het maaisel wordt natuurlijk al het een en ander hi ervan mee getransporteerd. Maar in de toekomst zullen we ook vaker bodem transplantaties gaan zien waarbij zoden van goede graslanden worden uitgestoken en op de geplagde/afgegraven nieuwe graslanden worden gelegd om zo het goede bodemleven ‘aan te enten’.

Vraag 2: Worden tijdens de fases nog extra zaden mengsels ingezaaid? Waar komen anders al die bloemen vandaan?
Antwoord vraag 2: Meestal niet. Die bloemen komen uit zaden die al in de grond zitten maar die door de hoge voedselrijkdom niet kiemden, maar bij verschraling van de bodem wel kunnen gaan kiemen. Maar voornamelijk worden die vanuit de omgeving aangevoerd met de wind, maai machines, dieren etc. soorten die wel degelijk doelsoorten zijn, maar in de verste omtrek ni et meer voorkomen zullen wanneer ze niet meer in de grond (in de zaadbank) voorkomen zich bijna nooit vestigen. In dat geval is (her)introductie met behulp van zaden/maaisel of zelfs planten te overwegen.

Vraag 3: Hoe lang duurt ongeveer zo'n omvorming van fase 0 naar 4 ?
Antwoord vraag 3: Dat is moeilijk te zeggen. Dit hangt af van de bodemomstandigheden , de stikstofdepositie en het beheer en een flinke dosis geluk met de aanvoer van zaad en goed weer. Wanneer het grasland een jaar niet gemaaid kan worden door bijvoorbeeld de aanwezigheid van weidevogels kan de ontwikkeling meerdere jaren worden teruggezet. In de gids  ‘het ontwikkelen van kruidenrijkgrasland’ wordt 4 - 8 jaar gegeven om van fase 0 naar fa se 3 te komen. Wanneer de bodem en vochthuishouding het toelaten nog eens 4 - 8 jaar van fase 3 naar fase 4.

Vraag 4: Is het hier daar nog interessant om enkele beheersmaatregels op te schrijven Of  gaat dat voor ons simpele zielen te ver?  
Antwoord vraag 4: Dat lijkt me prima, ik h eb er in bovenstaande antwoorden al een paar genoemd, maar ben er voorstander van om beheermaatregelen uit te leggen. Dit creëert juist draagkracht in plaats van onbegrip. Mocht er nog beheermaatregelen zijn waar je graag iets meer over wilt weten dan hoor ik dat graag, dan licht ik ze toe (of Erwin ).


Tekst: Bert de Vaan.   Gecorrigeerd en bijgewerkt door Gijs Clements         
Bronnen: Gijs Clements Erwin de  Hoop en internet