Vogel van de maand: november 2015                  tekst: Titia van Heusden

Appelvink (Coccothraustes coccothraustes)

1. Appelvink 1
De appelvink is al jaren een van mijn favoriete vogels. Het was vooral de naam die me in eerste instantie aantrok. Een vogel die niet zeldzaam is, maar zich weinig laat zien en horen. Dit in tegenstelling tot andere vogels van de vinkenfamilie zoals de vink en groenling. In de winter heb je de beste kans om de appelvink te zien: ze dalen dan af van de boomtoppen naar de op de grond liggende zaden. Ze leven dan in groepen tot enkele tientallen exemplaren.

 

De appelvink is iets groter dan de vink en wat het eerste opvalt is de enorme kegelvormige loodgrijze snavel. In de winter is de snavel echter geelbruin. Verder valt de dikke kop, stierennek en de korte staart met smalle witte eindband op. En net als de gewone vink heeft de appelvink witte vleugelstrepen, maar deze zijn wel veel forser. Al deze kenmerken zijn ook goed te zien in de vlucht. De vlucht is, net als bij de ander vinken, golvend. Onder de snavel zit nog een zwart slabbetje.

Het verenkleed is beige tot roestbruin met donkerbruine rug en vleugels. En in de nek een grijze band. Er zit weinig verschil in het uiterlijk tussen de man en de vrouw, de vrouw is iets fletser van kleur. En de slagpennen zijn grijs, bij de man zijn deze blauwzwart.

De wetenschappelijk naam is Coccothraustes coccothraustes. Coccotraustes betekent pittenverbrijzelaar. Net als veel vogels heeft de appelvink ook bijnamen zoals dikbek en kersenvink.

De appelvink komt voor in bossen, boomrijke tuinen, parken en boomgaarden. Hij heeft een grote voorkeur voor oude loofbossen. Op het menu staan zaden van esdoorn, haagbeuk, taxus, vogelkers, beuk en ook insecten. Maar dankzij zijn dikke gespierde nek kan de appelvink ook kersen en zelfs pruimenpitten kraken. Net als de andere vinken heeft hij gegroefde platen (lamellen) in de bek waarin de zaden worden vastgezet tijdens het draaiend pellen. Daarnaast heeft de appelvink twee hoornige knoppen in de beide snavelhelften waarmee extra druk kan worden gezet. Uit onderzoek is gebleken dat de appelvink met zijn kaken een drukkracht van maar liefst 50 kilogram kan uitoefenen

De zang is zacht en daardoor moeilijk hoorbaar. De zang bestaat uit lange, hoge tonen, afgewisseld met scherpe tikken en nog veel andere, gevarieerde geluiden. De roep is wel opvallend, een scherp tsik.
Om een vrouwtje te verleiden gooit de man zijn vleugels omhoog zodat de witte banden en blauwzwarte veren goed zichtbaar zijn. Het vrouwtje reageert hier vaak agressief op, maar als de man zich vervolgens onderdanig gedraagt kan de paring plaats vinden. Het nest wordt hoog in de boom gemaakt, meestal tegen de stam aan. De man legt de eerste takjes neer, de vrouw mag dan verder alleen het nest, een open kommetje, bouwen. Meestal is er één legsel, 4-5 eieren, begin mei. De juvenielen zijn te herkennen aan de donkere vlekken op de borst.

De appelvink is in Nederland een vrij talrijke broedvogel met ongeveer 10.000 paar.
Ze broeden van Engeland tot in Japan in het oosten. En van het zuiden van Scandinavië tot de noordelijke helft van de landen rond de Middellandse Zee.
Meestal blijven appelvinken in zwervende, kleine wintergroepen ter plaatse. De Nederlandse appelvinken trekken alleen in zeer strenge winters zuidwaarts tot in Frankrijk. Maar deze wegtrekkers worden gecompenseerd door overwinteraars uit noordelijker streken.

Door het ouder worden van de bossen is de beschikbaarheid van geschikte broedgebieden sterk toegenomen is de populatie de afgelopen 25 jaar sterk gegroeid. De appelvink komt met name in de oostelijk helft van Nederland voor.


foto's: Jan Wolfs
tekst: Titia van Heusden