Vogel van de maand: januari 2017
Uit ‘het Vogeljaar’ door Jac. P.Thijsse Derde druk 1923

Patrijs (Perdix perdix)

patrijs2apatrijs
September: ze zijn er al: een, twee, drie, twaalf, vijftien stuks: een sterke koppel.
Het zijn net bruine bolletjes, je moet eerst zoeken waar kop en staart zijn, zoo klein zijn die en zoo weinig variatie is er in de omtreklijn.

Maar met mijn excellente binocle kun je veertje voor veertje onderscheiden: het mooie roestrode staartje met de lichter gekleurde middenveertjes, de zwart et bruine vleugels, die voor ’t grootste deel aan e rugzijde verborgen liggen onder prachtige veertjes met witte middenstreep en zwarte dwarsteekening op bruinen grond, terwijl in het blauwgrijs van de flanken ook mooie bruine dwarsstrepen te zien zijn. Borst en hals zijn blauwgrijs met bruine dwarsstreepjes, de kop lichtbruin, een plek om het donkerbruine oog is kaal en bezet met fijne roode wratjes.


De buik is licht van kleur en twee van onze vogels vertoonen daar een groote, bruine vlek. Dit is de beroemde hoefijzervlek, die ‘t onderscheidingsmerk moet zijn tusschen mannetjes en wijfjes, maar dat is niet juist, want die wijfjes doen ook al in hoefijzers, vooral als ze wat ouder worden.’

‘Als de jachttijd voorbij is hebben ze een heerlijk leventje. Wel is het winter, maar een partijs eet van alles en ’t is wonderlijk, wat je zooal allemaal in den grond kunt vinden: eieren en poppen van insecten, wormpjes, slakken, zaden, kiemplantjes en jong groen. Voor tienen hebben ze hun bekomst en dan gaan ze lekker in het zonnetje zitten op een zuidhelling. Het zijn me wat een epicuristen, die patrijsjes!


Zie ze neerhurken in ’t zand; hun veeren zetten ze naar alle kanten op, om de zon lekker op de huid te laten schijnen. Weer andere hebben zich heelemaal ingegraven in ’t zand en sporrelen en spartelen, dat het stof rondom hen omhoog vliegt. Ze nemen een zandbad, om zich te reinigen en om dat eeuwig jeukende, stekende ongedierte kwijt te raken.’
‘In het voorjaar beginnen de patrijzen elkaar met andere oogen te zien, de vroegere eendracht is verstoord, de mannetjes raken aan ’t vechten en velen niet dat een ander mannetje op een bepaalde manier een bepaald wijfje aankijkt. In het jonge graan op den akker, in de helm in ’t duin, in de zegge, in de natte hei, tusschen het bloemrijke gras van het hooiland worden de nesten gebouwd en daar zit dra het wijfje te broeden op de bruingespikkelde eieren, twaalf of meer in getal.’

Zo ging het in de tijd van Jac. P.Thijsse, in 1923.

2013 was door het Sovon uitgeroepen tot het jaar van de patrijs. De afgelopen vijftig jaar is de patrijzenpopulatie met meer dan 90% afgenomen.Kleinschalige akkers werden verkaveld tot grote efficiënte landbouwpercelen, waarop intensief gras en maïs wordt verbouwd. Houtwallen zijn gekapt en (on)kruiden weggespoten.De ruige kruidenrijke plekjes waar ze hun nest bouwden werden steeds spaarzamer. Mieren, rupsen en kevers die ze als voedsel nodig hebben, werden steeds schaarser.Stoppelvelden waarop ze zich ’s winters tegoed deden aan achtergebleven graankorrels en onkruidzaden zijn er niet meer. En zonder eten, zonder geschikte broed- en schuilplaatsen, redt de patrijs het niet.

Maar, er is hoop!
Op diverse plekken in het land worden maatregelen voor de patrijs genomen. Akkers, struwelen, bosjes en tuinen met struweelrijke vegetatie, weelderig begroeide slootkanten en een hoge mate aan gewasdiversiteit lijken doorslaggevend voor de patrijzenpopulatie.

Tekst: Ans de Bijl.
Foto´s: Jan Wolfs