Vogel van de maand: februari 2017
door: Hannie Nilsen

Grote zilverreiger (Ardea alba) deel I

GroteZilverreiger2aGrote zilverreigerNiet de grootste, niet de kleinste, niet de snelste of de kleurrijkste vogel in Nederland maar wat een prachtig plaatje is de grote zilverreiger. Afstekend tegen een knalblauwe hemel of opduikend in de grijze ochtendmist. Op zulke dagen, wanneer de nevels als een zachte deken over het land liggen, moet je het als vogelaar vooral van je oren hebben. In de stilte die karakteristiek is voor deze grijze ochtenden, vallen de vogelgeluiden des te meer op. Totdat plotseling je oog valt op een of meerdere grote vogels die uit de mist opdoemen: meestal knobbelzwaan, lepelaar of grote zilverreiger. En soms hier overwinterende kleine of wilde zwanen of een ooievaar.

Dat we een grote zilverreiger zien, tegenwoordig toch een vrij algemene waarneming, is eigenlijk best bijzonder. In tegenstelling tot veel andere vogels waarvan de aantallen drastisch achteruit gaan (bijvoorbeeld de patrijs, de vorige vogel van de maand) doet deze soort het erg goed, het ene na het andere jubelverhaal verschijnt in de vogelbladen.

Daarom deze maand wat algemene informatie over deze soort, en volgende maand meer over de verspreiding van deze vogel.
De grote zilverreiger komt op alle continenten - behalve Antarctica - voor. ‘Onze’ soort, de Ardea alba alba zag men aanvankelijk vooral in het Middellandse Zeegebied en in de landen rond de Zwarte Zee. Nog steeds broeden in Europa de meeste grote zilverreigers in Oekraïne, Hongarije, Oostenrijk en Roemenië.Verder zijn er nog 3 ondersoorten: de Ardea alba egretta (Noord- en Zuid-Amerika), de Ardea alba melanorhynchos (Afrika) en de Ardea alba modesta (Indië, Zuidoost-Azië en Oceanië).

In Nederland broeden 8 vertegenwoordigers van de familie van de reigerachtigen: blauwe reiger, purperreiger, grote zilverreiger, kleine zilverreiger, roerdomp, kwak, woudaap en koereiger. Bij de laatste 3 soorten is er slechts sprake van enkele broedgevallen per jaar. Deze soorten zijn makkelijk van elkaar te onderscheiden. De grote zilverreiger is even groot als de blauwe reiger (lengte 85 - 100 cm, spanwijdte 145 - 170 cm, gewicht 1-1,5 kg) maar is smetteloos wit met zwarte poten en een gele dolksnavel. Anders dan de blauwe reiger heeft de grote zilverreiger geen kuif. Wel heeft hij in de broedtijd lange losse sierveren die zich vormen op de schouders en afhangen tot de staart. Ook wordt dan de snavel zwart (met gele basis) en krijgen de tibia een roodachtige kleur. Hij zou dan verward kunnen worden met de kleine zilverreiger die echter duidelijk kleiner is en opvallend gele tenen heeft. Zoals bij alle reigerachtigen zijn mannetje en vrouwtje gelijk.

GroteZilverreiger3Grote zilverreiger - in broedkleedDe grote zilverreiger leeft van vis, amfibieën, kleine zoogdieren en soms ook reptielen, insecten en vogels. Hij foerageert meestal in ondiep water of op het land. Driedoornige stekelbaars is een belangrijke prooisoort. Zijn jachttechniek is eenvoudig: langdurig roerloos staan tot een prooidier in de buurt komt, of heel rustig wadend zijn prooi achtervolgen. Eenmaal dichtbij, spietst hij zijn prooi aan zijn dolkvormige snavel. ‘s Winters leeft hij vooral van veldmuizen.Tijdens het jagen maakt hij ook slim gebruik van andere vogels. Zo kun je hem aantreffen in de buurt van aalscholvers. Als die jagen in plassen met ondiepe oeverzones staan de grote zilverreigers daar de vluchtende visjes op te wachten. Dit is kennelijk zo profijtelijk dat de reigers de aalscholvers al opzoeken op de slaapplaats, om bij het krieken van de dag de vertrekkende groepen te kunnen volgen. Een vergelijkbare vorm van commensalisme, waarbij de zilverreigers profiteren van andere soorten, kan in de winter worden waargenomen bij groepen foeragerende ganzen. In de Eempolder bleken grote zilverreigers in gezelschap van groepen kolganzen bijna twee keer zoveel veldmuizen te vangen als reigers verspreid over de polder.

Niet verrassend bestaat zijn biotoop dan ook uit rietmoerassen, oeverzones van meren en plassen, natte bossen langs rivieren (ooibossen) en kusten bij de mondingen van rivieren. Ook zie je hem in weilanden en langs sloten om daar te foerageren. Om te nestelen heeft de grote zilverreiger een flinke hoeveelheid overjarig riet nodig, maar geregeld worden ook wilgen of els gebruikt om het nest in te bouwen. Hij broedt bij voorkeur in kolonies, ook wel samen met andere watervogels. De broedtijd is april-juni waarin hij één legsel heeft met 3-5 bleekblauwe eieren. De broedduur is 25-26 dagen en de jongen verlaten na 38-46 dagen het nest. Aanvankelijk worden ze gevoed met opgebraakt voedsel, later krijgen ze hele vissen. 

De grote zilverreiger vinden we in oudere publicaties ook als Egretta alba of Casmerodius albus. De eerste naam dankt hij aan zijn sierveren. 'Aigrettes' waren omstreeks 1900 sterk in de mode. Een aigrette was een bos veren bijeengehouden door een juweel. Aan het Britse hof was iedere dame tot 1939 verplicht zo’n verenbos te dragen. Omdat de veren in de broedtijd op zijn mooist waren, werden gedurende deze periode de grote zilverreigers massaal afgeschoten. Uiteraard gingen dan ook de jonge vogels en eieren in het nest verloren. Aan die veren werden miljoenen verdiend. In 1903 kreeg een jager voor 28 gram veren 32 dollar! Hele kolonies van deze prachtige vogel zijn hierdoor vernietigd. Gelukkig voor de soort raakten de reigerveren uit de mode en kon het broedbestand zich herstellen. Ook de Franse naam (Grande aigrette) en Engelse (Great White Egret) zijn hiervan afgeleid. 

GroteZilverreiger1Grote zilverreigerDoor de tijden heen heeft de mens speciale eigenschappen aan deze vogel verbonden. In de oudheid had deze witte reiger een bijzondere plaats als gunstig voorteken. In de christelijke symboliek werd hij gezien als een goede gelovige en in de Middeleeuwen werd hij gebruikt om het weer te voorspellen: vloog de reiger hoog was dit een voorteken van een naderende onweersbui.
Maar meestal werd deze witte schoonheid vooral gezien als symbool van onschuld. De grijze (of blauwe) reiger daarentegen zag men als een teken van zonde en boetedoening.

Taxonomie reigerachtigen
De grote zilverreiger behoorde tot de orde van de Ciconiiformes. Deze orde bevatte 114 soorten, verdeeld over 7 families. Naarmate men meer te weten kwam over de vogels, onder andere door DNA-onderzoek, veranderde deze indeling, maar welke vogels waarbij horen is nog steeds een twistpunt. Zo zijn flamingo’s mogelijk helemaal niet verwant en blijken ooievaars verwant aan de pelikanen.
Het zijn allemaal waadvogels, variërend in afmeting van 35 cm (woudaapje) tot 1.50 m (maraboe). Ze hebben allemaal lange poten, een lange hals, lange snavel, brede afgeronde vleugels en een relatief korte staart. Ze hebben lange tenen, soms met zwemvliezen. Het zijn goede vliegers en ze leven van dierlijk voedsel. Het is een oude groep die al dateert uit het Krijt tijdperk, 100 miljoen jaar geleden.
De familie ‘Reigers en roerdompen’ is met ongeveer 62 soorten de grootste en meest verbreide groep van deze orde. Een speciaal kenmerk bij deze familie zijn de extra lange nekwervels waardoor ze hun nek bij het vliegen (en soms in rust) in een knik moeten houden. Ook zijn reigerachtigen in het bezit van poederdonsveren die nooit uitvallen maar aan de basis voortdurend doorgroeien. De top valt uit elkaar als een soort poeder dat ze gebruiken bij het dagelijkse poetsritueel om olie, vuil en slijm te verwijderen. Hiervoor hebben ze een soort kammetje aan één van de tenen. Binnen deze familie behoren de grote reigers in Nederland, purper-, blauwe en grote zilverreiger, tot het geslacht Ardea. Dit zijn allemaal grote reigersoorten die in kolonies broeden.

Foto’s: Karin van de Logt (Grote zilverreiger in broedkleed), Jan Wolfs (overige)