Vogel van de maand: oktober 2017
door: Jan op 't Hoog foto's: Jan Wolfs en Martin Verbeeten

 Roek (Corvus frugilegus)

Roek7873 In de vorige vogel van de maand hebben we het over de Raaf gehad, deze keer de Roek. Anders dan een Zwarte Kraai wordt de Roek ook vaak aangezien voor een Raaf. Dit komt omdat men deze vogel niet goed kent en men een grote robuuste houding ziet. Wat meteen opvalt bij een Roek is zijn lichte forse snavel. De Roek is vrijwel even groot als een Zwarte Kraai, ongeveer 46 centimeter lang maar oogt wat groter. Het verenkleed is zwart met een blauwige metaalglans.
De snavel is ook zwart, iets naar beneden gebogen en wat slanker dan die van de Zwarte Kraai. Als de vogel wat ouder is, wordt de snavelbasis kaal en wordt de onderliggende grijze huid zichtbaar. Het bovendeel van de poten is, anders dan bij zwarte kraaien, met wat veren bekleed. Deze 'broek' maakt ook jonge roeken, die nog geen lichte snavelbasis hebben, in het veld herkenbaar. Vandaar het ezelsbruggetje: broek = Roek.

Tussen mannetjes en vrouwtjes is qua verenkleed geen verschil te zien en beide zijn even groot. Het vliegbeeld van de Roek is met dat van de Zwarte Kraai te onderscheiden doordat de vlucht een wat soepeler gemakkelijkere indruk laat zien en de vleugelslag wat sneller is. Maar dit blijft erg lastig, makkelijker herkenbaar zijn ze als ze op de grond zitten. De Roek kan heel luidruchtig zijn en heeft een groot aantal geluiden tot zijn beschikking, die deels wat nasaal en schor overkomen zonder de bekende rollende (r) klank van de Zwarte Kraai De vogel komt voor in het grootste deel van West- en Midden-Europa en in een groot deel van Azië. Roeken zijn echte kolonievogels, ze leven in nesten die dicht bij elkaar in een aantal boomtoppen worden gebouwd. Deze kolonies kunnen zeer groot worden. Het leefgebied van de Roek is een open akkergebied of weiland, afgewisseld met bomen, bosjes, boomrijen en heggen. De vogel gedijt goed in cultuurland als hij niet wordt bejaagd. Vooral de aanwezigheid van akkers is gunstig. Bovendien zijn ze niet bang om hun nesten in de nabijheid van mensen te bouwen. De roeken maken in maart hun oude nesten gereed of bouwen van gebroken takken, mos, bladeren en droog gras een nieuw nest. Het nest wordt gebouwd door beide partners en als het bijna gereed is blijft er altijd een van de twee op de nestplaats achter. Dit om te voorkomen dat een of andere buur er met hun bouwmateriaal vandoor gaat. Mensen kunnen wel last hebben van een grote luidruchtige roekenkolonie in de buurt, met vaak ook poepoverlast op wegen en auto's. In sommige grote steden zijn zeer grote overwinteringsplaatsen (bijvoorbeeld in Wenen, circa 250.000 exemplaren, dit zijn voornamelijk vogels uit Rusland en Scandinavië). Dergelijke verstedelijkte populaties passen hun gedrag aan en foerageren meer op straat waarbij ze veel minder schuw kunnen worden.

In Nederland is de Roek nog algemeen en is bijvoorbeeld in het Oosten van ons land een normale verschijning. Als je fietst langs de IJssel dan zie je, samen met kauwen en zwarte kraaien veel roeken voedsel zoeken op de weilanden in de uiterwaarden. De vogels worden actief vanaf ongeveer een uur voor zonsopgang en blijven tot zeer laat actief. Zodat ze zelfs in de winter van schemer tot schemer het volledige daglicht benutten voor het zoeken naar voedsel. Roeken leven het gehele jaar in groepen, broeden in soms zeer grote kolonies en slapen samen in slaapbomen en zijn erg trouw aan hun broedplaats. Hier in de buurt vind je nog een roekenkolonie langs de A 58 tussen Breda en Tilburg. Maar zoals eerder is geschreven in het Oosten van ons land zie je meer grote kolonies. Het leuke aan roeken is, dat ze een scala aan groepsgedragingen hebben. Op de grond verplaatst de Roek zich met plechtige passen of met sprongetjes, in de lucht met een krachtige vleugelslag met vrij lange glijmomenten. In het voorjaar ziet men vaak spelvluchten en luchtacrobatiek. Spelletjes met groepsgenoten worden geregeld gezien, zoals dingen laten vallen en opvangen of samen op een tak zitten te schommelen. Partners begroeten elkaar met een soort paradepas, waarbij de vleugels licht worden opgetild. Tijdens de balts vindt er wederzijdse verenkleedverzorging plaats, voedsel bedelen, en lange baltsroepduetten waarbij de partners wat apart van de anderen met breed gespreide staart naast elkaar zitten. Roeken zijn net als andere kraaiachtigen uitgesproken nieuwsgierig en kunnen makkelijk kunstjes leren. Ook zijn ze net als andere kraaiensoorten flexibele eters. Ze lusten vrijwel alles maar prefereren dierlijk voedsel zoals regenwormen, slakken, insecten (vooral ritnaalden; de larven van kniptorren) en af en toe muizen. Daarom zie je ze veel op akkers en weilanden foerageren. Plantaardig voedsel maakt ongeveer 60% van hun dieet uit. De plantaardige voeding bestaat vooral uit allerlei zaden. Ook worden wel noten, eikels en vruchten zoals kersen en pruimen gegeten. Aan jonge roeken worden voornamelijk wormen en insecten gevoerd.
Met kleine sprongetjes, afgewisseld met grote stappen lopen de dieren over de bodem en zoeken naar voedsel waarbij de snavel wordt gebruikt om te voelen, te pikken, te graven en te grijpen. Het voedsel wordt vooral op zicht gevangen. Soms worden zonnebloempitten of maïskorrels uit het bloemhoofd of de kolf gepikt. Er is een dagelijkse variatie in het zoeken naar voedsel, waarbij 's ochtends vaak de voor het grijpen liggende buit wordt gepakt, 's middags wat dieper wordt gegraven en nog later op de dag stukken terrein min of meer systematisch worden afgezocht naar wat er nog te vinden is. Onze roeken zijn voornamelijk standvogels, dat wil zeggen dat we ze het hele jaar in Nederland kunnen zien. Hoe verder naar het noorden en oosten hoe vaker de Roeken ‘s winters naar het zuiden vliegen. Roeken zijn geslachtsrijp aan het einde van hun tweede jaar. Ze zijn monogaam en vormen een paar voor het leven. Het legsel bestaat uit 3 tot 6, grijsgroene, onduidelijk gevlekte eieren. De broedzorg wordt alleen door het vrouwtje gedaan en de eieren komen na 16 tot 19 dagen uit. Zij (het vrouwtje) wordt in die tijd door het mannetje gevoerd. De jongen verblijven ongeveer een maand in het nest en worden in de eerste tien dagen gevoerd door het mannetje, daarna door beide ouders. Na het uitvliegen worden de jongen nog een poosje door de ouders verzorgd waarna ze zich aansluiten bij een troep leeftijdgenoten en in de nabije omgeving op verkenning gaan. In deze jeugdgroepen gaat men na circa een jaar op vrijersvoeten waarna de paarvorming plaats vindt. De Roek werd vroeger sterk bejaagd. Het arsenaal aan landbouwgrond heeft een positieve uitwerking op de roekenstand, bejaging een negatieve. Voor de akkerbouw kan de Roek eerder als een nuttige dan een schadelijke vogel worden beschouwd. Met andere woorden een hele goede ongediertebestrijder al denkt niet iedereen daar hetzelfde over. Het zijn “zwartrokken” en die deugen niet, is vaak hun uitspraak. In de stad of dorp kunnen ze door hun grote kolonies voor overlast zorgen, maar omdat de Roek een beschermde soort is mag verjaging alleen met ontheffing geschieden. Hiertoe dient de gemeente een "Roekenbeschermingsplan" te maken. Daarin moet onder andere aangetoond worden dat er “ergens” vervangende broedgelegenheid bestaat. Deze moet dan als beschermde locatie worden aangewezen. Daarom zien de mensen deze vogel liever buiten de bebouwde kom, dan daarbinnen. Maar ben je aan het wandelen of fietsen en zie je een zwarte vogel in een weiland zitten of lopen, kijk dan eens goed naar zijn “markante” snavel en zie je dan ook nog een broek, dan weet je het. Je hebt te maken met een Roek.

Volgende vogel van de maand: De zwarte Kraai
Bron: de grote encyclopedie der vogels. Vogelbescherming Nederland