Zoogdier van de maand juni

Het Wild Zwijn (Sus scrofa)

Het wild zwijn is een gedrongen dier op korte stevige poten. De achterpoten zijn korter dan de voorpoten. Hij heeft een grote wigvormige kop, de neus eindigt in een wroetschijf, wat typerend is voor de familie. De vacht is borstelig en donker. De biggetjes zijn geelbruin en zwart gestreept. De hoektanden van vooral de mannetjes zijn sterk vergroot en worden tijdens de bronst gebruikt om mee te vechten. Verder worden ze ook gebruikt om de grond om te woelen op zoek naar voedsel. Het wilde zwijn komt voornamelijk voor in beboste gebieden, maar ook in rietvelden en moerassen, vooral in een gematigd klimaat.

De dieren leven in groepen tot ongeveer 30 exemplaren. Een groep wilde zwijnen wordt ook wel een rotte genoemd. In deze groepen leven alleen zeugen, biggetjes en overlopers (de jongen van vorig jaar). Soms leven ze ook in gezinsverband. Beren zwerven solitair rond, behalve tijdens de bronsttijd: dan voegen ze zich bij de rotten. De draagtijd is ongeveer 18 weken, waarna ze 1-13 biggetjes werpen (gemiddeld 7). In het wild worden wilde zwijnen ongeveer negen jaar oud, in gevangenschap soms wel 30.

Mannetjes (beren, evers of keilers) zijn duidelijk groter dan vrouwtjes (zeugen). Hoe groot ze precies worden, hangt af van de habitat: als deze gunstig is, dan worden ze veel groter dan in gebieden met een schaars voedselaanbod. Tegenwoordig worden beren in Nederland 100-120 cm lang, hebben ze een schouderhoogte van 85-95 cm en wegen ze 100-150 kilo. Zeugen zijn duidelijk kleiner en lichter. De staart is 15-30 cm lang en eindigt in een kwast. De haren van een wild zwijn worden vaak gebruikt voor verfkwasten. Wilde zwijnen nemen regelmatig een modderbad (een zoel) om hun huid en vacht in een goede conditie te houden. Het laagje modder dat na het bad op de huid blijft zitten, wordt verwijderd door tegen bomen aan te schuren. Met de modder worden ook parasieten verwijderd. De schuurbomen staan vlakbij de zoelplaatsen, zijn 50 à 60 cm boven de grond afgeschuurd en door het veelvuldig gebruik verkleurd en gepolijst.

De hele lichaamsbouw maakt de indruk van een wig. Die wigvorm maakt bewegen in een dicht bos gemakkelijker. Ze is ook een mogelijke verklaring voor de naam voor mannelijke zwijnen (keilers). Het Duitse woord voor wig is namelijk ‘keil’. 

Wild Zwijn (1)   animal 71662 960 720

zwijn skel

Dat wilde zwijnen omnivoren zijn, is goed te zien aan het gebit. Op de kiezen zitten knobbels, waarmee noten, wortels, grassen en kruiden gegeten kunnen worden. Natuurlijke vijanden van wilde zwijnen zijn wolf, lynx en bruine beer. Ook de mens behoort tot zijn natuurlijke vijanden: er zijn van het wilde zwijn fossiele botten gevonden die bewerkt waren door de mens. In Nederland kun je wilde zwijnen tegenkomen op de Veluwe en in Limburg. In België zijn het dan weer de Ardennen waar we wilde zwijnen aantreffen.om aas, wormen, insecten en kleinere zoogdieren te vermalen. Er zijn zelfs gevallen bekend van wilde zwijnen die reeën aanvielen.

Het voedsel dat onder de grond zit, wordt op de reuk opgespoord. Met de snuit wroet het zwijn, gedeeltelijk op goed geluk en gedeeltelijk vertrouwend op de goede reukzin, de aarde om en eet hij bijna alles op wat hij tegenkomt. Wilde zwijnen zijn vooral in de avondschemering actief, maar als het leefgebied ver van mensen verwijderd is, soms ook overdag. Wilde zwijnen zijn alleseters (omnivoor). Ze moeten het vooral hebben van relatief gemakkelijk verteerbaar voedsel. Ze eten voornamelijk hoogwaardig plantaardig voedsel, zoals eikels, beukennoten, kastanjes, wortelen, bladeren van wilde planten en landbouwgewassen (maïs, knollen, bieten). In goede mastjaren bestaat hun dieet voor 70 tot 80% uit beukennoten en eikels. In zo’n jaren eet een mannetjes zwijn bijna 2 kg eikels per dag. Afhankelijk van het seizoen en het voedselaanbod wordt het dieet aangevuld met dierlijk voedsel zoals in de bodem of in dood hout levende larven, regenwormen, kleine knaagdieren, konijnen, aas, naaktslakken, amfibieën en truffels. 

Het wild zwijn leeft voornamelijk in vochtige tot natte loofbossen (met eik, beuk, es en els) maar komt ook voor in oudere naaldbossen met dichte ondergroei, struwelen en zelfs in rietvelden en moerassen. Overdag houden wilde zwijnen zich doorgaans schuil in hun nest (leger), dat zich meestal in dichte dekking bevindt. De aanwezigheid van wilde zwijnen kan best worden vastgesteld aan de hand van loopsporen, zoelplekken waar ze hun modderbad nemen, schuurbomen, wroetsporen en uitwerpselen. Om de wilde zwijnen zelf te zien, ga je best in de schemering of ’s nachts op pad. Wilde zwijnen zijn schuw en horen goed. Stil en lang wachten in de buurt van sporen is dan ook de beste techniek om een wild zwijn te spotten.

zwijnsporenWilde zwijnen zoeken regelmatig voedsel in landbouwgebieden. Hierdoor kunnen ze economische schade aan landbouwgewassen veroorzaken. Gewasschade kan ontstaan door vraat, wroeten, liggen, rollen, krabben en vertrappen. Ook naar het verkeer toe kunnen wilde zwijnen voor problemen zorgen (aanrijdingen). Snelwegen die het leefgebied van wilde zwijnen doorsnijden zijn tegenwoordig meestal uitgerasterd opdat zwijnen en snelverkeer gescheiden zouden blijven.

In toenemende mate wordt dit uitrasteren gecombineerd met de aanleg van ecoducten zodat populaties niet van elkaar worden afgescheiden. Die goed werkende oplossingen worden echter niet of nauwelijks voorzien op provinciale en lokale wegen. Aanrijdingen zijn het gevolg. De meeste aanrijdingen vinden plaats in de schemering en het duister. Er zijn nauwelijks aanrijdingen overdag. Maatregelen als waarschuwingsborden, wildspiegels, reflectoren en geur- of akoestische gordijnen hebben niet het gewenste effect. Enkele door snelheidsbeperkingen en het periodiek afsluiten van wegen (bv. tussen 22u - 24u en tussen 6u - 8u) kan het aantal aanrijdingen met wilde zwijnen significant worden verlaagd.schade komt voor bij aardappelen, grasland (omwoelen), maïs en graan. Enkel het plaatsen van een degelijk zwijnenraster (110 cm hoog raster van betongaas) of schrikdraad omheen de teelten kan de overlast verhinderen. De maatregel is echter praktisch niet altijd uitvoerbaar. Het succes van alle andere afweermiddelen (op basis van geur of geluid) is doorgaans maar van korte duur (wilde zwijnen leren snel). In een aantal gevallen zal, na overleg met alle betrokken actoren (landbouwsector, wildbeheerseenheden, Agentschap voor Natuur en Bos, natuurverenigingen), populatiebeheer nodig zijn. 

Onze huisvarkens stammen af van de wilde zwijnen. Als je een varken en een wild zwijn met elkaar vergelijkt, zul je zien dat ze best veel op elkaar lijken. Het meest opvallend is natuurlijk dat ze allebei een grote platte snuit hebben, waarmee ze in de grond kunnen wroeten.

Bronnen:www.natuurpunt.be , http://www.beesies.nl/ , http://www.geologievannederland.nl/