Zoogdier van de maand november; de Bunzing

De Bunzing 

Zijn wetenschappelijke naam is Mustela putorius. En dat is bepaald geen vleiende benaming, het betekent namelijk stinkende marter. Ook de Fransen vinden de bunzing maar een stinkdier getuige de naam Putois. Wat de Nederlandse naam bunzing betekent is een raadsel. Oudere benamingen als bonsink en bonghsen hebben etymologen nog niet op het juiste spoor kunnen zetten. Misschien hangt het ook wel samen met zijn onwelriekende geur. Want dat de stank van het dier ook in ons taalgebied niet onopgemerkt is gebleven blijkt onder meer uit de volgende versregel uit het blijspel Moortje (1615) van Bredero:

In hy ruyckt assen kruyt, ick mien gelijck een Bonghsen
(en hij ruikt als (bus)kruit, ik meen net zo als een bunzing).

Ja stinken kan hij; als de bunzing zich bedreigd voelt spuit hij een stinkende stof (muskus) uit een klier in zijn achterlijf. In geconcentreerde vorm ruikt muskus niet lekker. Maar sterk verdund wordt de stof door mensen wel gewaardeerd en vindt daarom toepassing in menig duur parfum.

Bunzing (1)  Bunzing (2)

De Engelsen noemen hem polecat (letterlijk vertaald stokkat). Het dier deed de Engelse naamgevers dus denken aan een kat met een langgerekt lichaam. 

De Duitsers noemen hem iltis wat etymologisch is terug te voeren op roodbruine wezel. En daarmee zijn onze oosterburen nog het meest flatteus.

De bunzing behoort tot de marters. Hij is groter dan een wezel en kleiner dan een steenmarter. Kenmerkend is zijn roodbruine vacht en zijn gezichtsmasker.

Hij voelt zich thuis in het door de mensen gecreëerde agrarische cultuurlandschap. Hier valt gemakkelijk voedsel te vinden. Het verdwijnen van het kleinschalige cultuurlandschap heeft de bunzing geen goed gedaan. Hoewel er in Nederland geen gegevens zijn over de precieze bunzingstand, lijkt de soort zich redelijk te kunnen handhaven. 

Bunzing (3)

De bunzing kan overdag worden gezien, maar omdat hij ’s nachts jaagt is die kans toch niet zo heel erg groot. Zijn aanwezigheid wordt echter ook verraden door sporen zoals onderstaande prent die werd gefotografeerd in het Kievitsblek te Oisterwijk. 

Bron; Rob Wolfs, lid Zoogdierenwerkgroep