Vogel van de maand: januari/februari 2020
door: Titia van Heusden

Kleine zwaan (Cygnus columbianus bewickii
kleineZwaan2Kleine zwaan
In de winter zijn veel vogels stil. Er wordt weinig gezongen, voor de meeste vogels is dit een periode van overleven. En een groot aantal vogels is naar het zuiden van Europa of naar Afrika vertrokken.  Maar gelukkig komen ook vogels uit noordelijk gelegen gebieden, zoals Scandinavië en Siberië naar Nederland toe om te overwinteren. Een van deze soorten is de kleine zwaan. En deze zwanen kunnen er vrolijk op los toeteren. De kleine zwaan is een ondersoort van de fluitzwaan, de wetenschappelijke naam luidt Cygnus columbianus bewickii.
De fluitzwaan is een soort die in Noord-Amerika voorkomt. De bekendste zwaan in Nederland is de knobbelzwaan met de grote oranjerode snavel. Deze is hier jaarrond aanwezig. 
In de winter komen uit het noorden de wilde en kleine zwaan erbij. Deze soorten hebben een zwart met gele snavel. De kleine zwaan broedt niet in Nederland, de wilde zwaan broedt in Noord-Nederland met 2 paartjes.

Herkenning
Het verschil tussen de kleine en de wilde zwaan is soms lastig te zien. De kleine zwaan heeft een kleinere gele vlek aan de snavelbasis. Het geel komt nooit voorbij de neusgaten. En deze vlek is bovendien stomp. Bij de wilde zwaan is de gele vlek groter, tot voorbij de neusgaten. En de vlek loopt uit in een punt. De kleine zwaan is kleiner met een kortere nek dan de wilde zwaan. Het verschil in grootte is soms moeilijk te zien in het veld. De hoeveelheid geel op de snavel en het patroon is bij elke kleine zwaan weer anders.

Overwintering
Begin oktober komen de kleine zwanen vanuit de broedgebieden in noordoost Siberië naar Nederland toe. Bij goed weer blijven ze onderweg hangen in de Baltische staten, Denemarken en Noord-Duitsland. Behalve in Nederland overwinteren veel kleine zwanen ook in Duitsland, Engeland en België. En de laatste jaren kiezen steeds meer zwanen voor een overwintering in de Evros-delta in noordoost Griekenland. In Nederland zoeken de kleine zwanen eerst grote meren met helder water op waar fonteinkruid groeit. Dit is met name het geval in het Lauwersmeer en de Randmeren in Flevoland. Daar doen ze zich tegoed aan de eiwitrijke knolletjes van het fonteinkruid en aan de aanwezige kranswieren. Op de randmeren kun je in oktober en november honderden kleine zwanen, vaak samen met wilde zwanen en knobbelzwanen, zien eten.

Doordat de laatste jaren de waterkwaliteit van de randmeren sterk is verbeterd blijven de kleine zwanen hier langer foerageren dan een tiental jaar geleden. In december trekken grote aantallen kleine zwanen verder het land in. Ze hebben een voorkeur voor natte weilanden en akkerbouwgronden met oogstresten. Grotere aantallen kleine zwanen zijn dan ook te vinden op de veenweide gebieden in Zuid-Holland. Maar ze overwinteren ook in de Biesbosch en Midden -Brabant. Een deel vliegt door naar België. In Limburg en op de Veluwe zul je ze niet aantreffen. Eind februari en begin maart vertrekken ze weer. De afgelopen paar jaar vertrokken echter al veel kleine zwanen in januari richting  Duitsland

Voorkomen in de omgeving van Oisterwijk

Bekende pleisterplaatsen zijn de Vughtse Gement en de polders tussen Rosmalen en Oss. En ook bij de Oetendonken tussen Boxtel en Oirschot kunnen foeragerende kleine zwanen worden aangetroffen. De zwanen verblijven hier op vochtig grasland en op de percelen met maïsstoppels. Slapen doen ze meestal op het water waar het veiliger is dan in het veld. Slaapplaatsen in de buurt zijn onder ander de eendenkooien in de Vughtse Gement,  Geffense Plas,  en soms op het Engelermeer of op het Winkelsven.

Geraadpleegde literatuur:

Sovon Vogelonderzoek Nederland 2018; Vogelatlas van Nederland. Broedvogels, wintervogels en 40 jaar verandering. Kosmos Uitgevers, Utrecht.

Tekst en foto’s: Titia van Heusden